Boekbespreking: UFO – niet te geloven!

Door Taede Smedes  •   •  Reageer

Boekbespreking: UFO – niet te geloven!

De afgelopen jaren zijn er ook in Nederland toch wel een toenemend aantal ufo-boeken verschenen, wat niet mag verbazen gezien de onthullingen die we de afgelopen jaren in de VS hebben gezien. Lange tijd werd de boekenmarkt gedomineerd door de meningen van zelfverklaarde experts als Coen Vermeeren en Bart Uytterhaegen, waarin de grootste complotkolder verkondigd wordt. Ikzelf heb in mijn twee boeken over het ufo-fenomeen geprobeerd een genuanceerder beeld te schetsen. Aan de ene kant stel ik dat ufo’s wel degelijk een mysterieuze realiteit representeren, maar aan de andere kant wil ik ook ver weg blijven van complottheorieën. Ik denk dat een kritische distantie noodzakelijk is bij het kijken naar allerlei (met name Amerikaanse) ontwikkelingen.

Want laten we eerlijk zijn: het is en blijft vrijwel onmogelijk om mythe van werkelijkheid te onderscheiden. Beeldmateriaal is in een tijd van AI vrijwel onmogelijk te beoordelen op authenticiteit. En vrijwel alle getuigenissen die we uit de VS horen, zijn op dit moment nog steeds niet meer dan dat: verhalen zonder een greintje tastbaar bewijs. Waarbij ik toch de kanttekening wil maken dat de woorden van de talloze gedecoreerde militairen die soms met gevaar voor eigen leven uit de kast komen en bovendien een consistent verhaal vertellen, voor mijzelf een indicatie zijn dat er daar wel degelijk iets speelt dat we niet mogen bagatelliseren.

Maar terug naar het Nederlandse boekenlandschap: het lijkt alsof de tijd nu rijp is voor meer sceptische perspectieven. Eerder besprak ik al het kritische boek van Wilmar Taal. Recent verscheen ook UFO – Niet te geloven! Wat we denken te zien en wat we echt zien van de Belgische ufo-onderzoekers Frederick Delaere en Wim van Utrecht. In 2007 richtten de auteurs het Belgische UFO-meldpunt op, en sinds die tijd hebben ze zo’n 4000 waarnemingen onderzocht. Het zijn veteranen van ufo-onderzoek, die nu een boek hebben geschreven waarin ze hun visie op het fenomeen met een breed publiek delen.

Overzicht

Ik keek erg uit naar hun boek. En ik geef toe: het boek ziet er fantastisch uit. Het is zeer aantrekkelijk uitgegeven, kleurrijk geïllustreerd met talrijke kleurenfoto’s uit eigen archieven (hoewel af en toe misschien wat al te klein afgedrukt). QR-codes geven online toegang tot nog meer visueel materiaal. Het is een boek dat zwaar in de hand ligt, gedrukt is op kwalitatief hoogwaardig papier, zoals je dat niet vaak meer tegenkomt. Ook de bladspiegel is mooi; er is een prettig leesbaar lettertype gebruikt. Tot zover alles prima.

Het boek bestaat uit vijf hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt uitgebreid de geschiedenis van het ufo-fenomeen beschreven: oudheid, Amerikaanse overheid, Roswell, de ontwikkelingen sinds 2017, de Belgische ufo-golf… Het komt allemaal voorbij. Maar het is veel overzicht en weinig concrete, historische casussen. Het is een overzicht zoals dat in zoveel boeken is beschreven, met meer detail en diepgang, maar wel met een erg sceptische insteek die soms erg kort door de bocht is.

Een voorbeeld van dat laatste is de Belgische ufo-golf van 1989-1990. Onlangs verscheen de documentaire Ufo’s boven België, die op de VRT in drie delen is uitgezonden. Een bekijkenswaardige documentaire die aangeeft hoezeer wat er toen is waargenomen nog altijd tot de verbeelding spreekt en grotendeels onopgehelderd is. Delaere en Van Utrecht vegen in enkele pagina’s de hele Belgische ufo-golf als voornamelijk een kwestie van massahysterie van tafel. Mij dunkt dat dit geen recht doet aan de waarnemingen van toen én aan de waarnemers van toen. Maar op de achtergrond lijkt vooral een vete te spelen met de Belgische ufo-onderzoeksgroep SOBEPS, en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat die vete het oordeelsvermogen van beide auteurs danig in de weg zit.

Het tweede hoofdstuk behoort tot de kern van het boek. Dit deel beschrijft de ‘UFO-prikkels’ zoals de auteurs die noemen: de triggers voor een ufo-melding. Talloze voorbeelden van makkelijk verkeerd te interpreteren natuurlijke verschijnselen komen voorbij: vliegtuigen, condenssporen, rookkringen, ballonnen, planeten, satellieten, meteoren, lichtshows… Het leest als een samenvatting en update van het bij ufo-onderzoekers welbekende (en notoire) boek van J.M. Gantois en C.W.H. de Loore, UFO’s en andere vreemde natuurverschijnselen (Zutphen: Thieme, 1979). Voor ufo-onderzoekers veelal gesneden koek, maar gezien de meldingen die dagelijks ook bij het Nederlandse ufomeldpunt binnenkomen, telkens weer broodnodig.

Menukaart

Het derde en vierde hoofdstuk serveren de lezer een menukaart met Belgische ufo-meldingen en hun verklaring. In dit hoofdstuk geven de twee onderzoekers dus een kijkje in hun eigen keuken. Het Nederlandse Ufomeldpunt heeft niet de capaciteiten om alle meldingen te onderzoeken. De Belgische onderzoekers proberen dat wél, en dat is lovenswaardig. In hoofdstuk drie worden de verklaarde gevallen besproken; hoofdstuk vier bespreekt een aantal mysterieuze en tot nog toe onverklaarde casussen.

Ik vond met name die laatste, mysterieuze casussen bijzonder, omdat die ineens een heel andere kant van de onderzoekers laat zien. Ineens blijkt het sceptische narratief dat ze tot dan toe hanteerden, ruimte te bieden aan het mysterie. Zo blijkt dat de onderzoekers de casus uit Bunde, 2002, ondanks het gebrek aan andere getuigen en tastbare bewijzen, zeer serieus nemen: ‘Ondanks die zwakke punten, is er geen haar op ons hoofd dat eraan denkt M. als een leugenaar of fantast te beschouwen’ (269). Ook van de andere onverklaarde casussen lijken de auteurs op de hand te zijn van de melders. Dat de auteurs de melders serieus nemen, is lovenswaardig, maar verbaasde me wel. Iemand op zijn mooie blauwe ogen geloven? Hoe verhoudt zich dat tot de algemene schrijfstijl van de beide auteurs, die cabaretesk, lollig, schertsend, ironisch, sarcastisch is?

Want in de rest van het boek gaan alle taalregisters open. Wie het eerste hoofdstuk leest, het overzicht van de ufo-geschiedenis, krijgt gemakkelijk de indruk dat de auteurs het ufo-fenomeen als één grote historische hoax beschouwen. Ze vegen retorisch de vloer aan met Roswell, de Belgische ufo-golf, de Amerikaanse ufo-onderzoeken, Avi Loebs Galileo-project of de recente klokkenluiders die voor het Amerikaanse Congres getuigen:

Altijd weer wordt er uit hetzelfde lege vaatje getapt, namelijk dat de Amerikaanse overheid een aantal neergestorte buitenaardse ruimteschepen bezit (“niet-menselijk biologisch materiaal” incluis), en dat ze met de technologie die ze uit die tuigen heeft gehaald al de hoogtechnologische snufjes ineenstaken die we vandaag kennen (uw smartphone bijvoorbeeld) (66).

Geen vertrouwen

Delaere en Van Utrecht zijn bijzonder kritisch waar het de Amerikaanse ontwikkelingen sinds 2017 betreft. Ze stellen duidelijk geen enkel vertrouwen in de wetenschappelijke kennis en kunde van militairen. Zoals gezegd, de Belgische ufo-golf laat volgens hen zien dat ook politiemensen, militairen, straaljagerpiloten, radaroperatoren en allerlei overheidsfunctionarissen net zo hard voor illusies vallen als ‘gewone burgers’. Hooguit 1% van alle meldingen uit de jaren 1989-1990 is niet te verklaren, maar dat komt vooral door een gebrek aan gegevens. De andere meldingen worden door de auteurs ‘raadsels’ genoemd (p. 7), wat suggereert dat de auteurs ervan uitgaan dat, mits er voldoende gegevens voorhanden zijn, een natuurlijke verklaring voor iedere ufo-melding gevonden zou kunnen worden.

Daardoor bekroop me tijdens het lezen regelmatig de vraag waarom de auteurs zich nog met het ufo-fenomeen bezighouden. Wat drijft de auteurs, anders dan een drang naar debunken en ridiculiseren? Echter, het nawoord relativeert een en ander. Er licht even iets op van oprechte, open nieuwsgierigheid wanneer de auteurs over de ‘exceptionele getuigenissen die schreeuwen om een verklaring’ (293) schrijven: De regel is dat, als je niet weet waar het om gaat, je geen enkele hypothese op voorhand moet uitsluiten’ (293). Maar hun verhaal gaat vervolgens weer verder op de skeptische toer:

Van de andere kant mag je van iemand die met een straffe bewering komt aanzetten, verwachten dat die ook met straf bewijsmateriaal op de proppen komt. (…) Je kunt gerust geloven dat buitenaardse bezoekers verantwoordelijk zijn voor een aantal UFO-meldingen, maar ergens in geloven betekent nog niet dat het ook zo is (293).

Ambivalent

Ze verwijzen naar Ockhams scheermes en leggen de bewijslast van de claim dat ufo’s buitenaardse oorsprong hebben volledig bij degene die dit beweert. Het geloof in disclosure zien ze als ‘quasireligieus geloof’ (293). Maar terwijl je door hun scepsis murw gebeukt wordt, komt er ineens opnieuw een lichtpuntje, namelijk ‘geloofwaardige mensen’ die ‘ongeloofwaardige verhalen vertellen’:

Getuigen die bij hoog en laag volhouden dat ze een onbekend toestel vanop korte afstand hebben waargenomen. We zijn er nog niet uit wat we daarvan moeten denken, maar zeg nu zelf: wie wil niet op de eerste rij zitten als ook dat laatste stukje van de puzzel in elkaar valt? (295).

Die laatste zin lijkt opzettelijk ambivalent: dat laatste stukje kan buitenaards zijn – dat is de hypothese die niet bij voorbaat uit te sluiten valt – maar kan net zo goed een natuurlijke verklaring zijn. Het lijkt de auteurs niet echt te boeien naar welke kant de balans uitvalt. Het hele boek suggereert toch dat ze stiekem het antwoord al weten en dat het openhouden van de buitenaardse hypothese voor hen slechts een formaliteit is.

UFO – Niet te geloven! Wat we denken te zien en wat we echt zien.
Frederick Delaere & Wim van Utrecht
Borgerhoff & Lamberigts, 2025, 304 pp. ISBN 9789493409248, €35,00 (paperback)

Discussie

Een gezonde discussie over het ufo-fenomeen is waar UFO Zaken om draait. We vragen u daarom deel te nemen onder uw eigen naam en respect te tonen voor de perspectieven van anderen.

Laatste artikelen